X95-97 Christenen

 

Up ]

down 

De rechtsvervolging van de Christenen X 95-96

Gaius Plinius groet keizer Trajanus.

Het is mijn gewoonte, mijnheer, om alles waaraan ik twijfel aan u voor te leggen. Wieimmers kan beter ofwel mijn aarzeling richten en mijn onwetendheid onderrichten. Nog nooithet ik deelgenomen aan rechtszittingen i. v. m. de christenen. Daarom weet ik niet wat enin hoeverre ik met straffen en onderzoeken. En ik het er heel erg aan getwijfeld of erenig onderscheid is tussen de leeftijden of dat mensen hoe jong ze ook mogen zijn in nietsvan de volwassenen verschillen en of er vergiffenis geschonken moet worden aan berouw, danwel dat het geen enkel voordeel oplevert voor iemand die ooit overtuigd christen isgeweest, maar dat niet kon blijven en of de naam zelf, ook al draagt hij dan geen schande,dan wel de schanddaden die samenhangen met de naam gestraft worden. Intussen heb ik devolgende manier gevolgd bij hen die bij mij werden voorgeleid als christenen. Ik hebhenzelf gevraagd of ze christenen waren. Degenen die bekenden die heb ik een tweede en eenderde keer ondervraagd, onder bedreiging. Degenen die volhielden heb ik laten wegleiden.Ik twijfelde er immers niet aan, dat wat het ook was wat ze bekenden, dat de koppigheid ende onbuigzame halsstarrigheid in elk geval moesten bestraft worden. Er waren er anderendie al even waarzinnig waren die ik, omdat ze Romeins burger waren, heb opgetekend om naarRome te zenden. Omdat weldra, door de behandeling van de zaak zelf, de aanklacht zichverspreidde, doken er zoals dat gewoonlijk gebeurde verschillende soorten op. Er werd mijeen schriftelijke, naamloze aanklacht aangeboden, vele namen bevattend. Diegenen dieontkenden christen te zijn, of geweest te zijn en omdat ze voorbij mij liepen de godenaanriepen, uw beeld dat ik om die reden had bevolen samen met de godenbeelden aan tebrengen aanbaden met wierook en wijn en bovendien kwaad spraken over Christus. Allemaaldingen waartoe, naar men zegt, echte christenen niet kunnen gedwongen worden, meende ikweg te kunnen sturen. Anderen die door de aanbrenger waren vernoemd zegden dat ze Christuswaren en ze ontkenden het weldra weer. Ze waren het wel geweest, enkelen tot voor driejaar, nog anderen tot voor meerdere jaren, een enkeling zelfs tot voor twintig jaar. Ookdeze hebben uw standbeeld en de goden vereerd en kwaad gesproken over Christus. Zeverklaarden echter dat dit hun enige toppunt van ofwel schuld ofwel vergissing was geweestomdat ze gewoon waren om op een vastgelegde dag voor het daglicht bijeen te komen enliederen te zingen voor Christus alsof die een god is in twee koren om beurten en om zichdan in n of andere eedformule te verbinden, niet tot enige misdaad, maar om geendiefstal, roverij of overspel te bedrijven, om geen trouw te beschamen en geen in bewaringgegeven geld te weigeren als het werd teruggevraagd. Wanneer dat was gebeurd, was het degewoonte om uit elkaar te gaan en opnieuw bijeen te komen om het avondeten te nuttigen,alledaags voedsel echter en onschuldig, daarmee precies zijn ze zelfs gestopt na mijnverordening waarin ik, volgens uw richtlijnen, clubs verboden had. Daardoor geloofde ikdat het des te noodzakelijker zou zijn om van twee slavinnen die ze diakonessen noemdenuit te zoeken, onder folteringen wat de ware toedracht was. Ik ben niets anders te wetente komen dan een verwerpelijk en mateloos bijgeloof. Daarom heb ik mijn rechtszittingenuitgesteld en heb ik mijn toevlucht genomen tot een raadpleging van u. De toestand scheenmij immers een raadpleging waard, vooral wegens het grote aantal aangeklaagden; velenimmers van alle leeftijden, van alle standen en zelfs van beide geslachten wordengedagvaard en zullen gedagvaard worden. En niet alleen over de steden, maar ook overdorpen en zelfs over het platteland heeft de besmetting van het bijgeloof zich verspreid.Maar het schijnt mij dat ze gestuit kan worden en weer goedgemaakt kan worden. Het is inelk geval zeker dat de tempels die bijna verlaten waren, weer druk bezocht beginnen teworden en dat de heilige plechtigheden weer worden opgenomen, na een lange onderbreking.En dat overal het vlees der offerdieren weer verkocht wordt, waarvoor tot nu toe zeldeneen koper werd gevonden. Daaruit kan men zich gemakkelijk een beeld vormen wat een menigtemensen verbeterd kan worden als er gelegenheid is tot berouw.

X,97 Antwoord van Trajanus

Trajanus aan Plinius.

Mijn beste Secundus, jij hebt de handelwijze die je moest volgen, gevolgd bij hetonderzoeken van de motieven van hen die bij jou als christenen aangegeven waren. Want ietswat als het ware een vaste procedure heeft, kan niet in het algemeen vastgelegd worden.

Ze moeten niet opgespoord worden; als ze aangegeven worden en hun schuld bewezen wordt,moeten ze gestraft worden, maar zo, dat wie ontkent heeft dat hij christen is en datduidelijk gemaakt heeft door de zaak zelf, dat wil zeggen door tot onze goden te smeken,vergeving krijgt op grond van zijn berouw, hoewel hij ten aanzien van zijn verledenverdacht is.

Maar de voorgelegde anonieme klachten moeten bij geen enkele misdaad ruimte hebben.Want dat is en eigen aan een zeer slecht precedent en hoort niet bij onze tijd.
 

top


Carpe translationem

2005, 2006 www.klassiekevertalingen.nl

Plk een vertaling