De Rerum Natura

I, 62 - 79

Toen het menselijke leven klaarblijkelijk schandelijk neersloeg op aarde, onderdrukt door een zwaarwegend bijgeloof, dat zijn hoofd toonde vanuit de hemelse sferen, dat van boven af dreigend uitsteekt boven de stervelingen met een verschrikkelijk uitzicht, toen heeft een Griek het voor het eerst aangedurfd zijn sterfelijke ogen te verheffen en zich als eerste daartegen te verzetten, noch hetgeen dat men over de goden zegt, noch de bliksem, noch de hemel met dreigend dondergeroffel, kunnen hem onderdrukken, maar des te meer prikkelde dat zijn scherpe geest om te verlangen als eerste de benauwende kettingen van de poorten der natuur te breken.

Derhalve behaalde zijn levendige geesteskracht de overwinning en trad ver buiten de brandende muren van de wereld, en in zijn gedachte en gemoed doorkruiste hij het reusachtige heelal, vanwaar hij voor ons als overwinnaar meebracht wat kan ontstaan en wat niet kan ontstaan, en tenslotte volgens welke wijze het menselijke voor iedereen begrensd is en wat voor iedereen de grenspaal is die diep vastzit. En daarom wordt het bijgeloof, dat onder de voet is gelopen, op zijn beurt vertrappeld. Die overwinning laat ons de hemel evenaren.

I, 127-135

Derhalve moet door ons op een goede manier samen met de hemelgoden inzicht verworven worden in de aard van de natuur, namelijk op welke wijze de banen van de zon en de maan verlopen en volgens welke kracht (de dingen gebeuren) en welke dingen gebeuren op aarde, en daarna moet in eerste instantie met scherpzinnig inzicht bekeken worden waaruit het levensbeginsel en de aard van de ziel bestaat, welke zaak ons bang maakt en ons tegemoet komt terwijl wij wakker zijn, wanneer we aangetast zijn door ziekte en wanneer we ondergedompeld zijn in slaap, zodat wij de indruk hebben hen in hoogsteigen persoon op te merken en te horen, diegenen van wie de aarde de beenderen bevat nadat ze gestorven zijn.

III, r59 - r77

59. Tenslotte zijn er hebzucht en de blinde begeerte naar macht, die ontevreden mensen dwingen om de grenzen van het recht te overschrijden en, als medeplichtigen en dienaars van de misdaad, zich in te spannen om dag en nacht, met onvermoeibare inzet, de hoogste rijkdom te bereiken, deze wonden van het leven worden bovenal gevoed door de angst voor de dood. 65. Immers, schandelijke minachting en nijpende armoede schijnen ver verwijderd te zijn van een aangenaam en zorgeloos leven en schijnen als het ware reeds in het voorportaal van de dood te staan; 68. Vandaar dat de mensen terwijl ze zichzelf willen ontvluchten en ver van zich afschuiven, gedreven door een vals schrikbeeld, vandaar dat ze bezit opstapelen door het bloed van medeburgers te vergieten en dat ze hun rijkdom verdubbelen uit begeerte, door moord op moord te stapelen, en dat ze, in hun wreedheid, blij zijn bij de trieste dood van een broer en dat ze de gastvrijheid van bloedverwanten haten en vrezen. 74. In dezelfde geest kwelt [hen] de afgunst, vaak door dezelfde angst [gevoed]: ze klagen dat diegene machtig is, diegene aanzien geniet, degene die voortschrijdt in roemvolle eer, terwijl zij zichzelf wentelen in duisternis en in slijk.

III, r87 - r93

87. Want zoals kinderen gejaagd heen en weer lopen en bang zijn voor alles in de blinde duisternis, zo zijn wij soms ban in het daglicht [voor dingen], die niets meer gevreesd moeten worden dan datgene waarvoor kinderen in het donker vreselijk bang zijn en [waarvan] ze denken dat het zal gebeuren. 91. Het is dus nodig dat, niet de stralen van de zon, noch de heldere speren van de dag, deze angst voor de ziel en deze duisternis verdrijven, maar alleen een juist inzicht in de aard van de natuur.

V, 1194-1217

Ellendig menselijk ras, omdat ze dergelijke natuurverschijnselen aan de goden toeschreef, en omdat ze daaraan grillige woede vastknoopte. Welke verwondingen hebben zij voor ons geslagen, welke tranen hebben zij voortgebracht voor de jongeren. Het is dus in geen enkel opzicht vroomheid, dikwijls gezien te worden met een sluier op hoofd terwijl men zich draait naar een stenen beeld, en een altaar te gaan bezoeken, en om zich uitgestrekt neer te vleien en de handpalmen uit te strekken voor de tempels van de goden en om de altaren met veel bloed van viervoeters te besprenkelen, en om bepaalde beloftes aan beloftes te rijgen, maar eerder betekent het dat ze in staat zijn om alles te bekijken met tot rust gebrachte geest. Want wanneer wij kijken naar het hemelgewelf van de oneindige wereld en naar de lucht, bezaaid met fonkelende sterren, wanneer in onze geest de baan van zon en maan opkomt, steekt die fameuze onrust, die tot nu toe onderdrukt is, door andere zorgen de kop op, en die begint zijn ontwakend hoofd op te steken, met de vraag of er toevallig niet n of andere onmetelijke goddelijke kracht voor ons is, die de witte sterren doet wentelen met een wisselende kracht. Immers, gebrek aan inzicht brengt een twijfelende geest, of er een eerste oorsprong is en of er tegelijk ook een grens is en in hoeverre de versterkte muren van de wereld de spanningen van dit rusteloze bewegen zullen kunnen verdragen, en of ze door goddelijke voorbeschikking in staat zijn om de sterke krachten van de eeuwigheid te trotseren met een voortdurende beweging, nadat van godswege een eeuwig bestaan is gegeven.


Carpe translationem

2005, 2006 www.klassiekevertalingen.nl

Plk een vertaling