Leven op aarde

Verschijning van het leven op Aarde 780-800

780 Nu keer ik terug naar het prille begin van de wereld en naar de zachte akkers van de aarde, wat zij besloten door nieuwe scheppingskracht eerst op te laten komen in de gebieden van het licht en aan de onrustige winden toe te vertrouwen.

783 In het begin gaf de aarde de categorie der planten en een groene glans rondom de heuvels en over alle velden, de bloeiende weiden schitterden vanwege hun groene kleur, en vervolgens is er aan de verschillende bomen een grote wedijver om de lucht in te groeien gegeven, nadat hun de vrije teugel is gegeven.

788 Zoals dons en de haartjes en borstelig haar eerst voortgebracht worden op de ledematen van viervoeters en op het lichaam van vogels, zo liet de jonge aarde toen eerst planten en struikgewas opkomen, daarna bracht ze de vele groepen sterfelijke wezens voort, die op vele manieren via een verschillend proces ontstaan zijn.

793 Want de dieren kunnen niet uit de hemel gevallen zijn en de landwezens kunnen niet uit de zilte diepten gekomen zijn.

795 Er blijft nog over dat de Aarde terecht de naam moeder heeft verkregen omdat alles uit de aarde is voortgebracht.

797 En zelfs nu komen vele dieren uit de Aarde tevoorschijn door regenbuien en de warme hitte van de zon gevormd; en des te minder wonderlijk is het als er toen meer en grotere dingen zijn ontstaan omdat ze opgegroeid zijn uit een jonge aarde en lucht.

De eerste mensen 925-1010

925 Maar het menselijk geslacht was destijds op de akkers veel harder zoals het hoorde, dat een harde Aarde voortgebracht had, dat van binnen van zowel grotere als meer stevige botten voorzien was, dat toegerust was met krachtige spieren door het vlees, dat niet gemakkelijk door hitte, kou, onbekendheid met voedsel, noch met enige ziekte van het lichaam bevangen werd.

931 En gedurende vele zonnejaren die rondwentelden langs de hemel, leidden zij hun leven op de zwervende manier van wilde dieren.

933 En niemand was de stoere leider van de kromme ploeg, en niemand wist de akkers te bewerken met ijzer, en ook niet nieuwe stekjes in de grond te poten, en zelfs niet met snoeimessen de oude takken uit de hoge bomen te kappen.

937 Wat de zon en de regenbuien hadden gegeven en wat de Aarde uit zichzelf had gecreŽerd, dat geschenk beviel hun eetlust voldoende.

939 Te midden van de eikelsdragende eiken verzorgden zij meestal hun lichamen; en de moerbeien die je nu in de wintertijd rijp ziet worden met een purpere kleur, droeg de Aarde toen zeer talrijk en zelfs groter.

943 Bovendien bracht de toen frisse jeugd van de wereld veel hard voedsel voort, voldoende voor de arme stervelingen.

945 Maar om hun dorst te lessen nodigden de rivieren en bronnen hun uit zoals nu een heldere waterval uit de hoge bergen de groepen dorstige wilde dieren van verre oproept.

948 Bovendien bewoonden zij, op hun zwerftochten, de bekende heilige bosgebieden van de Nimfen, waaruit zij wisten dat snelle stromen water in overvloedige overstroming spoelden over de natte rotsen, over de natte rotsen van bovenaf druipend op het groene mos, (en waaruit zij wisten dat stromen water) voor een deel opwelden en aan de oppervlakte komen in het open veld.

953 En ze wisten de dingen niet te behandelen met vuur, noch gebruik te maken van huiden en het lichaam te kleden met afgestroopte huiden van wilde dieren, maar ze bewoonden wouden en uitgeholde bergen en bossen en verborgen hun ruige ledematen in het struikgewas, als gedwongen waren de striemen van de winden en regenbuien te vermijden.

958 En ze konden niet toezien op het algemeen belang, noch wisten ze enige ongeschreven, noch geschreven wetten te hanteren.

960 En wat aan buit het lot aan een ieder toebedeeld had, nam hij mee, ieder uit eigen beweging in staat zijn krachten tot eigen voordeel te gebruiken en te leven. [...]

966 Ze joegen op groepen wilde bosdieren, vertrouwend op de wonderlijke kracht van handen en voeten, met slingerstenen en het grote gewicht van knotsen; velen overwonnen zij, en ze vermeden weinige in hun schuilplaatsen; zij legden hun verwilderde naakte ledematen, lijken op borstelige everzwijnen, op de grond, als ze overvallen werden door de nacht, terwijl ze zich rondom wikkelden in bladeren en loof.

973 En zij zochten niet bang met luid gejammer naar de dag en de zon over de akkers, ronddolend in de schaduw van de nacht, maar zij wachtten zwijgend en overmand door slaap, totdat de zon met zijn rozerode fakkel het licht aan de hemel bracht:

977 Want omdat zij van jongs af gewend waren om te zien dat de duisternis en het licht altijd voortgebracht werden afwisselend door de tijd, was er geen rede dat het kon gebeuren dat ze zich ooit verbaasden, en dat ze verontrust waren, dat de eeuwige nacht de Aarde vast hield, omdat het licht van de zon voor altijd was weggenomen.

982 Maar het volgende was meer tot zorg, dat de groepen wilde dieren de rust vaak onveilig maakten voor de ongelukkigen; nadat ze uit het huis waren gejaagd, ontvluchtten zij hun rotsachtige woningen door de aankomst van een schuimbekkend zwijn of een sterke leeuw en lieten in het holst van de nacht angstig hun met loof gespreide bedden over aan de woeste gasten.

988 De groepen stervelingen verlieten toen niet veel meer dan nu met gejammer het heerlijke levenslicht

990 Want een ieder van hen diende toen vaker als levend voedsel voor de wilde dieren, nadat hij gegrepen was, verslonden door hun tanden en vulden de wouden, bergen en bossen met zijn gekreun, omdat hij zag dat zijn levende vlees in een levend graf begraven werd.

994 Wie de vlucht gered had met aangevreten lichaam, riepen later terwijl ze hun trillende handen op hun afzichtige wonden hielden, met afgrijselijke kreten Orcus aan totdat de vreselijke pijnen hen zonder hulp, omdat ze niet wisten wat wonden nodig hadden, van het leven beroofd hadden.

999 Maar een dag leidde niet vele duizenden mannen die onder de oorlogsvaandels gebracht waren, ten verderf, noch lieten de woeste vlakten van de zee schepen en mannen op de rotsen te pletter slaan.

1002 Toen raasde de zee omdat ze zich dikwijls zo maar verhief, in den blinde, vergeefs, en legde ze zachtjes haar zinloze dreigingen neer; en de verraderlijke verleiding van de kalme zee kon met haar lachende golven niemand tot zijn ongeluk verleiden.

1006 De roekeloze zeilkunst was toen nog onbekend.

1007 Vervolgens dreef gebrek aan voedsel in die dagen de wegkwijnende lichamen de dood in, daarentegen verstikt nu overvloed aan voedsel (de mensen).

1009 Zij dienden dikwijls zonder dat ze het wisten aan zichzelf vergif toe; nu geven zij het zelf doelbewuster aan anderen.

De eerste vormen van het sociale leven 1108-1160

1108 Koningen begonnen steden te stichten, en een burcht te plaatsen als bescherming en toevluchtsoord voor zichzelf, vee en akkers verdeelden en gaven zij al naar gelang iemands uiterlijk, krachten en intelligentie; want uiterlijk was veel waard, krachten waren belangrijk.

1113 Later werd rijkdom geÔntroduceerd en werd goud ontdekt, wat gemakkelijk hun privileges ontnam aan zowel de sterke als de mooie mensen; want hoe sterk en met een mooi lichaam geboren, men volgt meestal de leiding van de rijkeren.

1117 Maar als iemand zijn leven zou leiden volgens de ware leer, is het een grote rijkdom voor de mens om spaarzaam te leven met een tevreden geest; immers gebrek aan weinig is er nooit.

1120 Maar de mensen wensten zich beroemd en machtig opdat hun fortuin op een stevige grondslag stond en opdat zij, rijk, een rustig leven kunnen leiden, tevergeefs, aangezien zij hun levensweg onveilig maakten omdat ze streden om op te klimmen tot de hoogste rang, en toch drijft jaloezie als een bliksem hen die getroffen zijn, soms met verachting, van de top naar de afschuwelijke Tartarus; aangezien het hoogste en al wat hoger is dan het andere meestal dampen van jaloezie als van de bliksem; zodat het dus veel beter is dat je rustig gehoorzaamt dan de wereld wilt besturen met je gezag en koninkrijken wilt regeren.

1131 Laat hen daarom, tevergeefs vermoeid, in bloed zweten, terwijl ze worstelen over de smalle weg van de ambitie; aangezien zij wijs zijn op grond van andermans mond, en dingen verlangen op grond van wat gehoord is, eerder dan op grond van hun eigen zintuigen, is dat er nu en zal dat in de toekomst niet meer gebeuren dan dat het vroeger gebeurde.

1136 Dus nadat de koningen gedood waren, lagen de vroegere waardigheid van hun tronen en hun trotse scepters omvergeworpen ter neer, en het prachtigste teken van het belangrijkste hoofd betreurde bebloed onder de voeten van het volk, zijn hoge erepositie, want met liefde wordt datgene dat eerder al te zeer werd gevreesd, vertrapt.

1141 En zo keerde de staat terug tot de grootste chaos en wanorde, aangezien een ieder voor zichzelf gezag en opperheerschappij verlangde.

1143 Daarna leerden sommigen een regering te kiezen en een rechtssysteem in te stellen opdat ze wetten wilden gebruiken.

1145 Want het menselijk geslacht, vermoeid om te leven met geweld, kwijnde weg tengevolge van vijandschappen, des te meer onderwierp het zichzelf uit eigen beweging aan wetten en strikte machtsregels.

1148 Omdat immers een ieder tengevolge van woede zich feller voorbereidde zich te wreken, dan nu door billijke wetten werd gerechtvaardigd, om deze reden kregen de mensen er genoeg van hun leven in geweld door te brengen.

1151 Vanaf dat ogenblik werpt angst voor straffen een smet op het levensgeluk.

1152 Want geweld en onrecht verstrikken een ieder en keren meestal terug naar hem bij wie ze ontstaan zijn; en het is niet gemakkelijk om een rustig en vredig leven te leiden (voor hem) die met zijn daden de gemeenschappelijke vredesafspraken schendt.

1156 Want ook als hij het goddelijke en menselijke geslacht misleidt, moet hij er toch geen vertrouwen in hebben dat het voor altijd geheim zal zijn, daar men immers zegt dat velen zichzelf verraden hebben omdat ze dikwijls in hun dromen praatten of tijdens ziekten ijlden en lang verborgen misdaden geopenbaard hebben.

Verschijning van de godsdienst 1161-1240

1161 Nu is het niet moeilijk te verklaren welke reden de goddelijke macht van de goden onder de grote volkeren verspreid heeft en de steden met altaren gevuld heeft en ervoor gezorgd heeft dat heilige plechtigheden ondernomen werden, heilige plechtigheden die nu tijdens belangrijke gelegenheden en op grote plaatsen floreren, ten gevolge waarvan zelfs nu bij de mensen de angst/heilige eerbied is ingeplant, die nieuwe tempels voor de goden doet oprijzen over de hele wereld, en hen dwingt op feestdagen in grote getale te bezoeken.

1169 Immers zelfs toen al zagen de mensen de bijzondere gestalten van de goden, terwijl ze wakker waren, en meer in hun slaap met een wonderlijke vergroting van hun lichaam.

1172 Dus kenden ze aan hen bewustzijn/leven toe omdat ze hun ledematen schenen te bewegen en trotse woorden schenen te laten horen in overeenstemming met hun prachtige uiterlijk en grote krachten.

1175 En zij gaven hun het eeuwige leven omdat hun gestalte altijd veelvuldig gezien werd en hun vorm bleef, en in het algemeen toch omdat ze meenden dat zij die voorzien zijn van zo grote krachten, niet zomaar door enige macht overwonnen kunnen worden, en zij meenden dat zij daarom verreweg uitmuntten in geluk, omdat - naar zij meenden - angst voor de dood helemaal niemand van hen kwelde, en tegelijkertijd in hun slaap zagen dat zij vele en wonderlijke daden verrichtten en dat geen inspanning daarna effect op henzelf had.

1183 Bovendien zagen ze dat het hemelgebeuren en de verschillende jaargetijden in een vaste volgorde terugkeerden, maar ze konden niet te weten komen om welke redenen dat gebeurde.

1186 Dus hadden zij voor zichzelf een toevluchtsoord om alles aan de goden toe te schrijven en aan te nemen dat alles door een wenk van hen gestuurd werd.

1188 En ze plaatsten de woonplaats en de tempels van de goden in de hemel omdat men ziet dat langs de hemel rondwentelen, nacht en maan, maan, dag en nacht en de strenge tekens van de nacht, nl. de 's nachts ronddwalende fakkels van de hemel, nl. de vliegende vlammen, de wolken, zon, regenbuien, sneeuw, winden, bliksem, hagel, snel gerommel en het grote dreigende gedreun.

1194 O arm menselijk geslacht, toen het dergelijke daden aan de goden toebedeeld heeft en bittere woedegevoelens aan hen toegekend heeft!

1196 Hoeveel gesteun hebben ze toen voor henzelf gecreŽerd en hoeveel wonden voor ons, welke tranen voor onze nakomelingen!

1198 Het is helemaal geen vroomheid dat men ziet dat je je dikwijls met bedekt hoofd wendt tot een steen (godenbeeld) en dat je naar alle altaren gaat, geen (vroomheid) dat je je languit op de grond stort en dat je je handen opent voor de tempels van de goden, en het is geen vroomheid dat je de altaren met veel bloed van viervoeters besprenkelt, geen vroomheid dat je beloofde offers rijgt aan andere beloofde offers, maar veel eer dat je alles met een kalme geest kunt beschouwen.

1204 Want wanneer wij opzien naar de hemelse ruimten van de grote wereld daarboven en naar de hemel, bezet met flonkerende sterren, en de gedachte opkomt aan de banen van de zon en de maan, dan begint ook die zorg zijn al wakker geschudde kop op te steken in ons door andere ellenden terneergedrukte hart, dat ervoor ons toevallig een of andere onmetelijke macht van de goden is die met een gevarieerde beweging de stralende sterren wentelt.

1211 Want gebrek aan inzicht kwelt een twijfelachtige geest of er wel enig begin van de wereld, dat de geboorte betekende, geweest is, en tegelijkertijd of er wel enig einde is, tot wanneer de muren van de wereld deze last van hevige beweging kunnen dragen of of zij van Godswege begiftigd met eeuwige voortgang van de tijd voortglijdend, de sterke krachten van de onmetelijke tijd kunnen trotseren.

1218 Bovendien voor wie wordt de geest niet benauwd door angst voor de goden, voor wie krimpen de ledematen niet van angst ineen wanneer de verschroeide aarde trilt door een verschrikkelijke klap van de bliksem en gerommel door de grote hemel rolt? Sidderen de geciviliseerde volkeren en barbaarse stammen niet en trekken trotse koningen hun ledematen niet samen, getroffen door angst dat wegens en schandelijke daad of trotse uitspraak het ernstige moment om gestraft te worden nabij gebracht is?

1226 Ook wanneer de zeer grote kracht van een heftige storm op zee de commandant van de vloot tegelijk met zijn sterke legioenen en olifanten over het zeevlak zwiept, wendt hij zich dan niet tot de welwillendheid van de goden met offers en probeert hij niet, doodsbang, met een smeekbede de kalmte van de winden en voorspoedige briesjes te verkrijgen? Tevergeefs, aangezien hij, dikwijls overvallen door een hevige wervelwind, desalniettemin naar de diepten van de dood gedreven wordt

1233 Zozeer verplettert een verborgen kracht de menselijke aangelegenheden en schijnt de mooie roedenbundel en strenge bijlen te verbrijzelen en tot speelbal voor zichzelf te hebben. Tenslotte, wanneer de hele aarde onder onze voeten wankelt, steden, nadat ze geschokt zijn, instorten en wankelende steden dreigen in te storten, is het dan verwonderlijk als de mensen zichzelf minachten en de grote machten en wonderlijke krachten van de goden, die alles besturen, in het heelal toelaten?


Carpe translationem

© 2005, 2006 www.klassiekevertalingen.nl

Plýk een vertaling